Ik kan moeilijk wennen aan mijn rijkdom

Je kunt op deze wereld beter rijk zijn dan arm. Voor de armen heb ik meer sympathie. Bij sport ben ik ook altijd voor de verliezer. Het maakt sport kijken een deprimerende bezigheid.

Zelf ben ik wel rijk. Niet zo rijk dat ik een huis kan kopen, maar toch behoorlijk rijk. Iemand die arm is zou willen dat hij minder arm was, zodat hij bijvoorbeeld een broek kan kopen of de huur kan betalen. Ik kan zoveel broeken kopen als ik wil.

Vroeger was ik arm. Ik herinner me de keren dat ik te weinig geld had voor mijn boodschappen. Je had nog geen bankierapp, de postbode bracht maandelijks een financieel overzicht. Nooit wist je precies hoeveel er op je rekening stond. Ik vroeg de caissière om één boodschap van de bon af te trekken en probeerde nog eens te pinnen, net zolang tot het lukte. De bloemkool en de allesreiniger bleven achter in de supermarkt, de fles apfelkorn ging mee naar huis.

Ik vond die momenten eerder grappig dan gênant en verheugde me erop om er later, dronken van de apfelkorn, aan mijn vrienden over te vertellen. Het was geen echte armoede. Ik hoefde niet bang te zijn om te verhongeren of om op straat te belanden, ik kon altijd mijn ouders bellen. Bovendien ging ik ervan uit dat het tijdelijk zou zijn. Evengoed leidde ik een sober bestaan.

Dat is lang geleden. Tegenwoordig verdien ik meer dan ik uitgeef. Mocht mijn wasmachine het begeven, dan zou ik dat vervelend vinden vanwege het gedoe. Je moet iemand zoeken die hem kan repareren en thuisblijven als diegene langskomt en koffiezetten met een koekje erbij en dan blijkt de wasmachine total loss en moet je uitvogelen of je nog eens precies dezelfde wasmachine koopt of toch een andere, en welke dan, en weer moet je thuisblijven als de wasmachine wordt gebracht, en bied je de bezorgers ook koffie aan of is dat alleen bij reparateurs?

Om het geld zou ik geen moment treuren. Die paar honderd euro mis ik niet.

Toch kan ik moeilijk wennen aan mijn rijkdom. Ik koop appels in plaats van blauwe bessen omdat het een halve euro scheelt. Zelfs bij de superrijken bestaat dit fenomeen. Dagobert Duck en Jeff Bezos geven zo weinig mogelijk uit aan bijvoorbeeld hun personeel.

Ik was op weg van huis naar het Amstelstation om een ov-fiets in te leveren die ik daar een dag eerder om logistieke redenen had gehuurd. De planning was strak: ik moest flink doortrappen, de 3400 meter terug naar huis snelwandelend afleggen, op mijn eigen fiets naar mijn werk scheuren om daar bezweet en chagrijnig te arriveren.

Ter hoogte van het Muiderpoortstation had ik een openbaring: ik kon ook dáár mijn fiets inleveren. De NS heeft het liever niet: als iedereen zijn ov-fiets op een station naar keuze inlevert wordt het een zootje. Doe je het toch, dan moet je 10 euro schadevergoeding betalen. Maar het zou een hoop stress schelen en tijd opleveren om boterhammen te smeren, zodat ik niet naar de gore bedrijfskantine hoef.

Ik kijk zelden op mijn bankrekening. Ik zou niet weten hoeveel geld ik precies heb. Die 10 euro bestaat eigenlijk niet.

Ik leverde de ov-fiets in en wandelde op mijn gemakje terug. Na het smeren van de boterhammen maakte ik het aanrecht schoon. Ik gebruik daarvoor een oude sok en een sopje met allesreiniger. De allesreiniger ruikt naar rozen en frambozen. Het is geen prettige geur. Hoe vaker ik het aanrecht schoonmaak, hoe eerder ik nieuwe allesreiniger mag kopen. De fles is al half leeg.